Op zondag 6 juni 1920 verzamelden duizenden werkers zich rond drie uur ’s middags op de Burcht in Zaandam. Aanleiding was een protestmars tegen de invoering van de anti-revolutiewet. Die wet was bedacht door minister van Justitie Theo Heemskerk, en moest de revolutionaire politiek in Nederland aan banden leggen. Niet alleen een politieke revolutie zelf, maar ook de voorbereiding en bevordering ervan zouden strafbaar worden.
Stoet van minstens 4000 mensen
De samenkomst was georganiseerd door werkers aangesloten bij het Plaatselijk Arbeids-Secretariaat (P.A.S), de Zaanse Bestuurders Bond (Z.B.B.), en de Sociaal Democratische Arbeiders Partij (S.D.A.P). De Zaanlandse Courant schrijft over een stoet van minstens vierduizend personen die door de stad trok. In die tijd woonden in Zaandam zo’n 28.000 mensen, dus de omvang van de mars besloeg ongeveer 15% van het inwoneraantal van de stad.
Na vanaf de Burcht gelopen te hebben via de Hogendijk, Rustenburg, en de Botenmakersstraat verzamelde de menigte zich op een terrein bij de gasfabriek aan de Westzijde (vlakbij de huidige Prins Bernhardbrug, alleen het rijtje oude arbeiderswoningen staat nog overeind). Daar werden toespraken gegeven door Johannes Nieuwenhuijs van het P.A.S. en voorzitter Roel Stenhuis van het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (N.V.V.), een voorloper van de huidige FNV.

Georganiseerde werkers belemmeren
Stenhuis maakte in zijn toespraak duidelijk waar de anti-revolutiewet voor was bedoeld. “Deze revolutiewet,” zo sprak hij, “is niet gericht tegen de revolutie, want nog nooit is voor een revolutie permissie gevraagd.” Inderdaad, het zou wel erg makkelijk zijn als het omverwerpen van een politieke orde voorkomen kon worden door het simpelweg te verbieden. Nee, volgens Stenhuis ging het er met die wet om de arbeidsbeweging te belemmeren in haar dagelijkse werk. “Men wil die het openbare karakter ontnemen”.
Deze kritiek klonk door alle groepen georganiseerde werkers, van communisten en anarchisten tot sociaaldemocraten. Allen zagen de wet van Heemskerk als een poging om socialistische politieke acties en uitingen te criminaliseren. De N.V.V. waarschuwde in een manifest:
Wanneer straks de vakverenigingen zich niet zullen storen aan eventuele wettelijke staketsels, die de heeren van plan zijn te maken, dan kunnen uwe leiders de gevangenis ingaan. Wanneer uwe bestuurders de spoorwegarbeiders e.d. oproepen ter willen van de menschelijkheid geen goederen te vervoeren voor Hongarije, waar de burgerlijke machthebbers op de georganiseerde arbeiders een klopjacht houden en ze vermoorden als ratten, dan zullen zij strafbaar zijn. Wanneer wij in de toekomst in overleg met onze kameraden mochten besluiten den strijd voor den socialisatie aan te binden, dan zal dat in alle landen mogelijk zijn, maar in Nederland zullen uwe leiders in de gevangenis kunnen worden geworpen.
Het anarchistische orgaan De Vrije Socialist riep in reactie op het wetsvoorstel op tot standvastigheid: “Het prachtigste antwoord dat de arbeiders kunnen geven op deze poging om de revolutie te keeren is: het revolutionaire élan meer dan ooit te versterken.”

Democratie begint op straat
In een proefschrift over extremismebestrijding in Nederland verklaart Joris Gijsenbergh in 2017 de bedoeling achter de wet. Het ging Heemskerk en zijn medestanders inderdaad niet om het illegaal maken van de revolutie. Het was hen vooral te doen om een nauwe opvatting van politiek en democratie op te leggen aan de bevolking.
Samen met andere conservatieve politici was Heemskerk van mening dat politiek alleen thuishoorde in de daarvoor bestemde instituties, zoals de Tweede Kamer of de gemeenteraad. Zeker niet op straat of op de werkvloer. De bevolking mocht de politiek beïnvloeden alleen via de daarvoor bestemde kanalen. Alexander de Savornin Lohman, fractievoorzitter van de Christelijk-Historische Unie, verwoordde dit standpunt helder in het kamerdebat over de wet: ‘de politieke invloed mag zich […] slechts openbaren bij de verkiezingen.’
Deze nauwe opvatting van politiek en democratie stond lijnrecht tegenover de socialistische standpunten over politieke invloed. Zowel sociaaldemocraten als communisten waren het er over eens dat je politiek juist ook buiten-parlementair moest aanwakkeren. Politieke beïnvloeding begon juist op de werkplek, en de politieke wapens van de werkende klasse waren de staking en de massa-bijeenkomst, niet de stembus en de vertegenwoordiging in het parlement.
Om deze socialistische, buiten-parlementaire politiek in te dammen werd de wetstekst van toepassing gemaakt op juist de politieke activiteiten van een georganiseerde arbeidersbeweging. Gijsenbergh noemt dat het verbod ruim geïnterpreteerd kon worden, en niet alleen de uitvoering van “staatkundige omwentelingen” omvatte, maar ook de voorbereiding en bevordering ervan. Daar hoorde ook opruiing tot “gewelddaden tegen de openbare orde” bij, inclusief “opzwepende redevoeringen”. Het betekende dat betogers voorzichtiger moesten zijn met wat ze precies zeiden in hun toespraken. “Als de rechter de wetstekst ruim zou interpreteren,” schrijft Gijsenberg, dan “zouden agitatoren evenzeer in overtreding zijn als coupplegers.”
Een verkillend effect?
Op 28 juli 1920 wordt de anti-revolutiewet aangenomen door de Tweede Kamer. Officieel heet die: “Wet houdende nadere voorzieningen tot bestrijding van revolutionnaire woelingen”. Tijdens de bijeenkomst in Zaandam had Stenhuis nog opgeroepen de wet tegen te houden met een “demonstratieve staking” in een aantal steden, waaronder ook de Zaanstreek. Die staking, die voor 8 juni 1920 was afgekondigd, had weinig succes.
Maar na de invoering van de anti-revolutiewet kwam het nauwelijks tot rechtszaken. “In plaats daarvan zochten de gezagsdragers naar mildere manieren om te garanderen dat kerkgangers en andere weggebruikers geen hinder ondervonden van openbare meetings,” schrijft Gijsenbergh. “Politiecommissarissen leidden de bijeenkomsten in goede banen, door met de organisatoren van de optochten te overleggen over de route, sprekers en aankleding. De autoriteiten vroegen de betogers om terughoudendheid. Onder dat voorbehoud aanvaardden zij ordelijke vormen van straatpolitiek.”
Ook werd de wet eigenlijk nooit gebruikt om daadwerkelijk politieke geschriften te verbieden. Strikt genomen mocht een schrijver volgens de wet niet langer “opruiien” tot revolutionaire handelingen, en zelfs het suggereren van een socialistisch alternatief voor de bestaande politieke orde ging eigenlijk al over de schreef. Maar in de praktijk werd tegen dit soort uitspraken niet opgetreden. Het Openbaar Ministerie vervolgde zelden een auteur voor opruiing, aldus Gijsenbergh.
Had de anti-revolutiewet dan wel het beoogde effect? Dit blijft een goede vraag. Aan de ene kant lijken er weinig politieke organisaties of uitingen geweest te zijn die met behulp van de wet werden vervolgd. Maar aan de andere kant zou het goed kunnen zijn dat werkers, activisten en schrijvers voorzichtiger werden in hun daden en woorden. Er zou best een zeker ‘verkillend effect’ kunnen zijn uitgegaan van de wet, al is dit erg lastig vast te stellen. Hoe dan ook, een Nederlandse revolutie bleef uit.


Een reactie
Zo is duidelijk dat vrijheid van meningsuiting altijd bevochten moet blijven worden. Daar heb je politiek bewuste burgers voor nodig, die daarvoor de strijd aan willen gaan met gevestigde machten. Destijds ging 15% van de Zaanse inwoners de straat op tegen deze wet. Dat is een heel hoge opkomst. Kennelijk was men destijds bewust van gevaren van een dergelijke wet en de uitwassen die het zou kunnen veroorzaken. Maar hoe zit dat met de huidige Zaanse bevolking? Ziet men het gevaar van de richting waar de Nederlandse regering heen wil met de anti terrorismewet? Of denkt men dat het hen niet aangaat?